Maaike in… Mexico & de VS – DEEL 2

In deel 1 dompelde ik mij onder in het Mexicaanse paradijs op het eiland Isla Holbox. In dit deel reis ik verder naar Valladolid, Bacalar en Cancún. Hoewel het overgrote deel paradijselijk voelt, word ik ook aangevallen door beesten én kruist een orkaan in de laatste week mijn pad…

Na vijf dagen Isla Holbox ga ik samen met Silvana – een meisje dat ik in het hostel heb leren kennen – naar de stad Valladolid. De stad spreekt me meteen aan: het is er niet al te groot, de pastelgekleurde huizen zijn prachtig, er zijn veel goede restaurantjes én het is de perfecte uitvalsbasis voor een aantal populaire bezienswaardigheden, zoals Chítzen Itzá.

Op onze eerste volle dag besluiten we dan ook maar meteen een van de zeven wereldwonderen van onze bucketlist af te strepen: Chitzén Itzá. We gaan samen met nog twee jongens die we ook uit het hostel kennen en laten ons rondleiden bij de piramide die al in de 9e eeuw door de Maya’s is gebouwd. Na ruim anderhalf uur wordt het echt te heet op het terrein, dus zoeken we mijn huurauto met airconditioning weer op en gaan terug naar Valladolid voor de siësta.

De magische onderwereld

De volgende dag brengen Silvana en ik de dag door met zwemmen in cenotes. Een cenote is een grot of poel gevuld met zoetwater dat meestal is gefilterd door de kalkstenen grondlaag. Voor de Maya’s waren dit heilige plaatsen, omdat het volgens hen de ingang naar de onderwereld was. En de onderwereld is het dodenrijk en één van de drie werelden waar hun goden leven. Destijds werden de cenotes dan ook gebruikt om offers te brengen. Van dierenoffers tot mensenoffers. Gelukkig heb ik nergens een dood kalf zien drijven en was het vooral een heerlijke – heel koele! – plek om te zwemmen.

Reusachtig bed voor één?

Maar een stad is een stad en in deze zomer zó heet, dat ik blij ben om na een aantal dagen richting de kust te vertrekken. En wel om te couchsurfen! Even opfrissen: dat is gratis slapen bij een local. Deze local uit Bacalar, Oscar, is een SUP- en kiteboardinstructeur, dus ik kon mij gaan opmaken voor veel waterplezier.

De rit van Valladolid naar Bacalar is ruim drie uur. Gelukkig voor mij is op dit stuk de weg behoorlijk goed en hoef ik niet bang te zijn om met een lekke band te stranden. Oscar staat me buiten bij zijn appartement al op te wachten en begroet me enthousiast. ‘Wat leuk dat je er bent! Kom erin, kom erin.’

‘En eh… waar slaap jij?’ vraag ik hem.

Hij houdt de deur van zijn appartement voor me open en ik stap naar binnen. Het eerste wat opvalt is het reusachtige bed – hier passen wel vier personen in – en tegenover het bed staat een klein bureautje met een televisiescherm. ‘Nou, dit is de woonkamer en werkkamer in één,’ gebaart Oscar. ‘En hier is de badkamer. En dat is het! Snelle rondleiding, hè.’

Ik grinnik en knik. ‘En eh… waar slaap jij?’ vraag ik hem. Oscar wijst naar het grote bed. ‘Daar!’ Ik verschiet even van kleur. Shit, dat had ik even gemist in zijn Couchsurfprofiel. Slapen in één bed, als hij maar niet het zijne ervan denkt… Oscar wijst naar het bed en gebaart dat ik het me gemakkelijk moet maken. Hij gaat zelf op een stoel zitten en kijkt me grijnzend aan. ‘Vertel eens over je reis. Wat heb je al gedaan en wat ga je nog doen?’

Suppen bij zonsondergang

We zitten een tijdje te praten, waarna ik merk dat mijn zenuwen afnemen. Het lijkt een prima kerel die respectvol omgaat met zijn gasten. Als het vijf uur is, wijst Oscar naar buiten. ‘Lijkt het je leuk om te gaan suppen? Als we nu gaan, kan ik het je leren en dan kunnen we op de rivier de zonsondergang aanschouwen.’

Ik heb het suppen snel onder de knie. We steken de grote baai over waar we kort aanleggen om naar de zonsondergang te kijken. Daarna gaan we weer verder en als het bijna helemaal donker is, gebaart Oscar naar een ander plekje in het riet. We eten snel wat en dan pakt Oscar vol enthousiasme zijn ukelele uit zijn tas.

‘Hou je van 90’s muziek?’ vraagt hij. ‘JA! Wie niet?’ roep ik vrolijk. Oscar begint te lachen en zet – oervals – een liedje van Westlife in. Eerst kan ik mijn lachen niet inhouden, maar aangezien hij met zoveel enthousiasme zingt, negeer ik de valse noten en zing zachtjes net zo vals met hem mee.

Help! Ik word aangevallen

In zijn reusachtige bed blijft Oscar braaf aan zijn kant van het bed en ik aan de andere kant. Uitgerust word ik de volgende dag wakker, waarna Oscar mij meeneemt naar een plaatsje iets verderop. Ook hier heeft het water een prachtige, blauwe kleur. We wandelen een klein eindje het bos in, tot ik het ineens uitroep van de pijn. ‘AU, AU, AU!’ gil ik en kijk naar beneden. Op mijn rechtervoet zie ik hordes zwarte mieren lopen. En ze bijten. Hard.

‘Je moet in het water, hup.’ Ik kan me niet bewegen van de pijn, dus springt Oscar in het water en trekt me hardhandig dichterbij. Hij gooit water op mijn voet om de mieren eraf te spoelen. Ik zie de eerste bultjes al opdoemen. Oscar stelt me snel gerust. ‘Het doet wel even zeer, maar over een paar minuten voel je het al niet meer.’

Op dat moment geloof ik hem, maar een paar dagen later is de jeuk zo VERSCHRIKKELIJK dat ik er niet van kan slapen. En dat blijft ook vijf dagen zo. Kutmieren, bedankt voor dit souvenir.

Orkaantje Grace

Na twee dagen Bacalar staat Tulum op de planning. De dag voor mijn vertrek had ik de berichten over orkaan Grace wel gezien, maar volgens Oscar viel deze storm wel mee. Bovendien had het hotel mij ook geen bericht gestuurd dat ik niet moest komen, dus ga ik alsnog op pad.

Als ik Tulum Pueblo binnen rij, is het er een CHAOS. De wegen – voornamelijk zandwegen – zijn overstroomd. De auto gaat op sommige plekken echt diep het water in. Er liggen dikke takken op de weg die het moeilijk maken om door te rijden. Telefoonpalen liggen plat.

Iedereen is druk bezig de rommel op te ruimen. Een paradijselijk stadje? Eh, nu niet. De chaos wordt nog erger als mijn hotel spoorloos blijkt te zijn. Die is toch niet in één klap weggevaagd?

Dan word ik wanhopig

Het adres op Google klopt niet, dus besluit ik de auto ergens te parkeren en te voet verder te zoeken. Ik loop talloze rondjes. Ik vraag mensen de weg, maar iedereen geeft een ander antwoord. Na twee uren zoeken heb ik het helemaal gehad. Uit wanhoop hou ik midden op de weg een taxi staande die mij vaag de weg wijst. ‘Kun je mij niet brengen?’ vraag ik hem, waarna hij zijn hoofd schudt. ‘Ik heb geen dienst.

Uiteindelijk vind ik iemand die wél ongeveer weet waar het hotel is en het me aanwijst op een kaartje. Ik pak opnieuw de auto en rij naar de aangewezen plek. Maar nee, ook geen hotel. Ik rij vier rondjes om het blok en de huurauto blijft maar hard in de gaten stuiteren, schraapt over takken en ik krijg steeds meer zin om te huilen. Wat is dit voor gezeik?

Ik hou nogmaals een taxi aan en vraag met tranen in mijn ogen of hij soms weet waar het hotel is. ‘Ja, die is daar! Iets verder doorrijden en dan aan de linkerkant.’ Serieus? Echt? Ben ik al een halfuur zó dichtbij?

Deur op slot

Ik parkeer voor het hotel en kijk naar de ingang: een gesloten hek. De moed zakt me al in de schoenen, maar ik stap uit en bel aan. En bel aan. En nog een keer. En nog een keer. Net zolang tot er iemand komt. Geïrriteerd kijkt de man van het hotel me aan. ‘We zijn gesloten. We hebben geen stroom, geen water, niks doet het.’ Eh, shit? ‘Ja, maar… ik heb een reservering.’ De man haalt zijn schouders op. ‘Ik kan het niet controleren. Ik kan niets voor je betekenen.’ Koortsachtig denk ik na. ‘Mag ik alsjeblieft even naar de wc?’

De man opent met tegenzin het hek voor me en laat me bij de receptie naar de wc gaan. Als ik terug ben, wijst hij naar het bankje. ‘Ga maar even zitten. Je hebt een reservering?’ Ik begin te knikken en vertel dat ik al twee uur aan het zoeken ben naar het hotel en gister het hotel heb geboekt. Hij knikt. ‘Begrijp je ook dat ik het niet kan checken? Ik kan niet zien of je creditkaart heeft gewerkt. Ik kan je daarom niet zomaar een kamer geven.’

Tranen met tuiten

Na die mededeling krijg ik een waas voor mijn ogen en begin ik luid te snikken. De dam breekt en mijn schouders schokken. De man kijkt me geschokt aan. ‘Sorry,’ snik ik. ‘Ik wil niet huilen, maar ik heb zolang gezocht en nu weet ik niet waar ik naartoe moet.’ De man wordt zo ongemakkelijk van mijn tranen, dat hij na een tijdje sussend toegeeft dat er misschien wel iets te regelen valt.

Het gesnik wordt langzaam minder. Het duurt even voordat we een oplossing gevonden hebben, maar uiteindelijk doe ik een aanbetaling in euro’s en krijg ik een sleutel voor een kamer. Er is nog altijd geen stroom, dus het is er erg warm. Maar ik ben allang blij: ik hoef niet ergens langs de kant van de weg in mijn auto te slapen.

Luide hostelseks

De volgende dag is het nog steeds chaos in Tulum, dus pak ik mijn boeltje en rij naar Cancun. Een megastad – zeker niet de mooiste stad – en erg toeristisch. Ik heb een hostel geboekt op de hotelstrip (die 17 km lang is!) en ben vastbesloten hier nog een beetje uit te rusten voordat ik naar Amerika vlieg.

Ik onderneem weinig. Ik ontbijt, klets met mensen in het hostel, lees een paar uur een boek op het strand, ga uiteten en drink een drankje (lees: veel drankjes) in de hostelbar. De eerste avond in het hostel hoop ik vroeg te kunnen slapen, maar een stelletje gooit luidruchtig roet in het eten.

Ze hebben eerst luide seks in de badkamer, verplaatsen dan naar het eenpersoons hostelbedje en doen ook daar een aantal rondes. Het liefst roep ik ‘Thanks for the show!’, maar ik ben te schijterig, dus prop ik mijn oordopjes in mijn oren en probeer me voor de geluiden af te sluiten.

Positieve test?

Twee dagen voor mijn vlucht naar de VS ga ik naar een COVID-sneltesthokje. Ik ben gespannen, want ik ben verkouden, hoest als een malle en heb keelpijn; het zal toch niet…? Maar de envelop komt negatief terug. Gelukkig, dan is het gewoon die verrekte airco. Met dit testresultaat op zak besluit ik nog een paardrijexcursie te boeken in de jungle en doe de laatste twee avonden in de hostelbar het licht uit. Ik ben immers toch negatief getest… wie doet me wat?!

Moe maar blij zit ik 23 augustus in het vliegtuig naar Austin. Ik slaak een diepe zucht. Gisteravond is het half 3 geworden. Ik kan wel een dutje gebruiken. Ik zit bij het gangpad en sta op voor een jongen die in de stoel bij het raam gaat zitten. De middenstoel blijft leeg. Zodra we opstijgen, sluit ik mijn ogen.

Als ik wakker word, kijkt de jongen naast me mij vriendelijk aan, waarna hij in het Spaans begint te praten. ‘Eh… no Espanõl,’ zeg ik schaapachtig. ‘Oh sorry!’ gaat hij snel verder in het Amerikaans. Hij zegt nog iets, maar mijn ogen worden naar de zijne getrokken. Wat zijn ze mooi… en wat heeft hij een fijne stem…

In deel 3… wat gebeurt er met deze Amerikaanse vreemdeling?

About the Author

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.